Norbertijn Gerlacus van der Voort (alias Vervoort), pastoor en “menneke” van Opglabbeek

Gepubliceerd op 27 december 2018



Kruidendokters en andere naturopaten of natuurgenezers worden/werden door de officiële reguliere geneesheren dikwijls en bijwijlen onterecht afgeschilderd als kwakzalvers die de mensen ongegrond doen geloven in hun geneeskundige bekwaamheid.

Maar diezelfde kruidendokters kunnen vaak steunen op een achterban van klanten die zich geholpen en genezen voelen na het innemen van de door hun “dokter” bezorgde kruiden of andere natuurlijke remedies en die hun sympathie voor die genezers niet onder stoelen of banken steken. Die sympathie uit zich onder andere doordat die kruidendokters wel eens gemoedelijk en vertederend vernoemd worden als “het menneke van…” en dan volgt de naam van een of andere gemeente waar de betrokkene genezer woonde.

Voorbeelden uit onze tijd:
– een leek
Er woonde destijds in Kleine Spouwen een kruidendokter met een grote aanhang van mensen die op hem vertrouwden als hùn genezer. (over ‘het menneke van Spouwen’ in de volgende achtermôt een mooie anekdote)

– een pastoor….
Ook tussen de geestelijken vond men soms een kruidenspecialist. Zo was pastoor Goossens van Uikhoven, een geboren en getogen Opglabbekenaar, bekend als natuurgenezer.
In Opglabbeek werd hij “Kruujt Jef” genoemd, zijn confraters noemden hem “het menneke van Uujkeven”.

[afbeelding doodsprentje]

Jozef Goossens was geboren in 1875, werd in 1900 priester gewijd; hij fungeerde als leraar in het Klein-Seminarie van Saint-Roch, als kapelaan in Alken en in Rotem en werd in 1915 pastoor van Uikhoven. Daar stierf hij, na een pastoraat van 42 jaar, op 4 april 1957. Hij was toen net geen 82 jaar oud. “Kruujt Jef” moet, als men de krantenverslagen van 1950 bij de viering van zijn 50 jaar priesterschap mag geloven, een enorm populaire figuur geweest zijn.

Allicht was dat ten dele toe te wijzen aan zijn succesvolle bestrijding van ziekten met kruiden.

… die de deken kon doen “afgaan”
Onder de confraters werd verteld dat het “menneke van Uujkeven” eens bij de deken van Mechelen-aan-de-Maas aanzat aan een diner met bisschop Kerkhofs en met de priesters van het dekenaat. Toen zou hij aan de bisschop gezegd hebben: “Monseigneur, ik kan iets wat u niet kunt”. En op de vraag van de bisschop “Wat dan?”, zou hij geantwoord hebben: “De deken doen afgaan!”. Daarmee zinspeelde hij op het feit dat volgens het toen vigerende kerkelijk recht een deken “inamovibel” was, dat wil zeggen: niet kon afgezet worden door de bisschop.

Pastoor van der Voort
Ook Gerlacus van der Voort, een Opglabbeekse parochieherder  uit het laatste kwart van de 17e eeuw, was gekend als specialist in geneeskrachtige kruiden tegen de rodeloop.

 Volgens een pastoorslijst die in 1787 werd opgesteld door Ambrosius van Hulsel, archivaris van de abdij van Averbode, werd Gerlacus van der Voort, alias Vervoort, geboren in Tessenderlo. In 1672 was hij kapelaan van Zutendaal. In augustus van dat jaar werd hij als opvolger van Dionysius Herjans van Mol, geïnstalleerd als pastoor van Opglabbeek. Hij stierf er op 29 augustus 1690 en werd opgevolgd door Arnold Schats van Turnhout. Dat is alles wat we van hem vernemen uit de parochieregisters van Opglabbeek.

Maar volgens eens artikel van Guido Vandermarliere, “Den roden loop te Exel in 1779” [1],had hij drie speciale recepten  tegen de rodeloop.
Zijn recepten zijn:

Als de roden loop niet te stelpen is:

1) neem dan twee paardekoeken en warm die op in een ketel en dat onder de aarsdarm gelegd en zo dikwijls verwerpt(?) totdat het stelpt. Zeer goed. Probatum est.[2]

2) Neem een pastinaakwortel en braad die onder de hete assen. Dan bak je die in een pan onder de olie en zo eet je die op. Zeer goed. Probatum est.

3) Item door zoete melk te drinken, waarin een heet staal(?) of vurige kerven(?) in zijn geblust.  Probatum est.

De pastoor geeft ook de raad “groffinagel[3] in de mond te steken als men bij zieken moet komen. Dan heeft men geen last van kwade geuren.

We kunnen veronderstellen dat de pastoor kruidenremedies had tegen meerdere ziekten. En, als er in zijn tijd een epidemie geweest is van de rodeloop, zal hij de recepten daartegen, ook wel toegepast hebben in Opglabbeek,. Om dat zeker te weten zouden de overlijdensregisters van 1672 tot 1690 moeten nagekeken worden evenals de in die tijd opgestelde testamenten (in de schepenregisters en bij de notarissen van die tijd).

 En hoe erg is of was rodeloop?

De rodeloop of bloeddiarree (dysenterie), is een hevige darmontsteking, veroorzaakt door bepaalde amoeben of bacillen.

Tegenwoordig is er geen stervensgevaar meer. Nu durft men er mee te lachen en noemt men een hoeveelheid kopergeld of kleingeld wel eens humoristisch de rodeloop.

Maar vroeger was die ziekte ‘bloedige ernst’:

– het dorp Eksel werd in 1779 in quarantaine geplaatst;

– de zittingen van de schepenbank werden twee maanden geschorst;

– minstens 7 volwassenen lieten uit voorzorg hun testament opstellen;

– er werden missen opgedragen en er werd gebeevaard naar Sint-Theunis in
Hoksent-Eksel.

(Aldus het aangehaalde artikel van Guido Vandermarliere)

[1] in het tijdschrift van de heemkring van Hechtel-Eksel “Lei en Griffel”, jaargang 2002, nr. 4, p. 110.
[2] Probatum est : onfeilbaar bevonden
[3] groffinagel is een andere benaming voor kruidnagel

 


Geef een reactie